| Heb ik mogelijk last van depressiviteit? |
| 1. Ik kan lachen en de leuke kant van de dingen inzien. |
a. zoveel als ik altijd kon
b. nu niet zoveel als anders
c. zeker nu niet zoveel als anders
d. helemaal niet
|
| 2. Ik kijk met plezier naar dingen uit. |
a. zoals altijd of meer
b. wat minder dan ik gewend was
c. absoluut minder dan ik gewend was
d. nauwelijks
|
| 3. Ik maak mijzelf onnodig verwijten als er iets fout gaat. |
a. ja, heel vaak
b. ja, soms
c. niet erg vaak
d. nee, nooit
|
| 4. Ik ben bang of bezorgd zonder dat er een aanleiding is. |
a. nee, helemaal niet
b. nauwelijks
c. ja, soms
d. ja, zeer vaak
|
| 5. Ik reageer schrikachtig of paniekerig zonder echte reden. |
a. ja, tamelijk veel
b. ja, soms
c. nee, niet vaak
d. nooit
|
| 6. De dingen groeien me boven het hoofd. |
a. ja, meestal ben ik er niet tegen opgewassen
b. ja, soms ben ik minder goed tegen de dingen opgewassen dan anders
c. nee, meestal kan ik de dingen erg goed aan
d. nee, ik kan alles even goed aan als anders
|
| 7. Ik voel me zo ongelukkig dat ik er bijna niet van kan slapen. |
a. ja, meestal
b. ja, soms
c. niet vaak
d. helemaal niet
|
| 8. Ik voel me somber en beroerd. |
a. ja, bijna steeds
b. ja, tamelijk vaak
c. niet erg vaak
d. nee, helemaal niet
|
| 9. Ik ben zo ongelukkig dat ik heb zitten huilen. |
a. ja, heel vaak
b. ja, tamelijk vaak
c. alleen af en toe
d. nee nooit
|
| 10. Ik denk er aan om mezelf iets aan te doen. |
a. ja, tamelijk vaak
b. soms
c. nauwelijks
d. nooit
|
|
|